Het Verhaal

Het verhaal van de film
Hoofdpersoon Jacob heeft een jongere zus, waar hij gek op is. Maar van liefde mag geen sprake zijn. Hij heeft een moeizame relatie met zijn vader. Zijn moeder is een wat ongrijpbare figuur. Later blijkt dat Jacobs zus zijn zus niet is. Zijn vader en moeder zijn niet zijn biologische ouders. Wie dan wel?

Jacob ontdekt dat als hij 65 jaar oud zijn verleden gaat overdenken. Zijn vragen zijn existentieel. Wie ben ik, hoe is mijn leven geweest, hoe had het ook kunnen gaan en hoe waardeer ik dit alles?

Op school werd hij gepest en bij een auto-ongeluk komt zijn beste vriend om. Jacob is altijd met de schuldvraag blijven zitten. Hij had verkeerde vrienden, waarmee hij samen een roofoverval pleegde. Er werd daarbij iemand gedood. Zijn vrienden kregen levenslang, hij kwam ervan af met een taakstraf. Het geld wat ze hadden buitgemaakt, gebruikte Jacob voor zijn eigen leven. Zijn vrienden zijn woedend daarover.

De liefde voor zijn zus is problematisch. Hij heeft altijd naar haar gehunkerd, terwijl zij hem gewoon ziet als de oudere broer. Op haar twintigste trouwt ze met een dorpsgenoot en emigreert naar Canada. Broer en zus zullen elkaar weer zien op de begrafenis van hun moeder. Na die begrafenis wordt de afkomst van Jacob onthult.

Wat dit met Jacob doet, valt in drie delen uiteen. Het gaat prima, het gaat slecht; het gaat zoals het is gegaan. Intussen kan Jacob zijn draai niet vinden. Hij gaat failliet. Zijn vele liefdes stranden. Uiteindelijk trouwt hij met de vriendin van zijn overleden vriend. Krijgt kinderen en blijft ongelukkig. Als de kinderen nog jong zijn, gooit zijn vrouw hem er uit.

Hij zwerft elke dag in zijn dorp. Maakt een praatje hier en daar.  Kijkt naar het landbouwgebeuren. Zit vaak in de kroeg.

Zijn krimi-maatjes regelen vanuit de cel overvallen op Jacob. Hij ontspringt telkens de dans. Na 40 jaar lukt het de gebroeders Anker om die twee af en toe met begeleid verlof te laten gaan. Tijdens één van die verloven, ontsnapt één van hen (Tonnie) aan zijn begeleiders. Tonnie zit nu achter Jacob aan. Als Jacob aan het eind van zijn denktocht-over-het-verleden is beland, volgt de confrontatie.

De onderstroom
In de film zien we voortdurend de vele wegen die een mens kan volgen. Vaak wordt dat bepaald door het toeval en de omstandigheden, heel soms door van tevoren goed doordachte beslissingen.

Jacob bedenkt voortdurend wat-als-verhalen. Wat als hij met zijn zus, die zijn zus dus niet is, was getrouwd? Zou hij stralend gelukkig zijn geweest in zijn leven? Wat als hij met de goeie vrienden uit zijn eigen dorp was blijven omgaan?  Wat als hij bij zijn biologische ouders was opgegroeid. Als hij maar dit en als hij maar dat. Iedere wending kent een alternatieve kanteling.

Jacob wil te weten komen of er ook een absolute waarheid in het leven van de mens te ontwaren is. Een moraal, een god! Hij stelt dan de vraag of er vóór hem ook andere mensen hierover hebben nagedacht. Sterker nog! Of er vóór de mensheid iets heeft bestaan en of er daarna iets van over zou blijven.

“Toen ik nog niet bestond; dacht ik niets, voelde ik niets, was ik niets! Pas na mijn geboorte ontstond er besef. Ontstond er een wil, maar was die vrij? Eerder ging het leven met me aan de haal. Als ik straks uit de tijd ben zal er ook niets meer zijn. Geen gedachten, geen besef. Dan had het leven geen zin. Ja, voortplanten. Maar waartoe leidt dat dan allemaal? Tot meer van hetzelfde! Kwantiteit, geen kwaliteit. Uiteindelijk ook op weg naar het einde der mensheid.